Posts tonen met het label Verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhalen. Alle posts tonen

maandag 6 augustus 2012

Nieuws uit PNG


25 juli ’12


Weer thuis. Weer schoon. Met een kop koffie en een boterham met kaas op de bank, nadat ik net van een heerlijk normale douche en toilet genoten heb. Geen zweet meer dat over mijn rug en voorhoofd loopt. Geen muggen, geen varkens, geen hanen, maar volgens mij nog wel luizen.

Mijn eerste SALT cursus in een dorp zit er weer op. Wat was dat goed, om weer helemaal op te gaan in het werk waarvoor ik hier ben. Wat was het heerlijk, om de lessen weer voor te bereiden, om weer voor ‘de klas’ te staan, en de mensen te vertellen over Jezus. Dat Hij alleen de weg, de waarheid en het leven is. Dat dit de enige echte waarheid is die ons vrij maakt. Over God, die een diep verlangen heeft om een persoonlijke relatie met ons op te bouwen, omdat Hij zo veel van ons houdt. Om te vertellen over de zorg van God. Dat Hij over ons waakt, dat we niet bang hoeven te zijn voor Satan, maar altijd veilig zijn in Gods handen.
Wat hebben we een geweldige boodschap te brengen! Een boodschap die echt iedereen moet horen! Gewoon, omdat God zo geweldig is!


Na een drukke week van voorbereidingen, met op de laatste dag nog een virus in mijn computer en op de SIM kaart van de camera, zodat we hals over kop nog naar de computerzaak moesten om dat weer opgelost te krijgen, was de dag weer daar dat we op het vliegtuig zouden stappen. Het dorp waar we nu heen gaan, heet Bambak, en de taal die gesproken wordt is Bariai. Het dorp ligt op New Ireland.
Voor de zendelingen die er werken, is deze week een highlight. De Bijbelvertaling, waar ze 19 jaar aan hebben gewerkt, is klaar, en wordt dit weekend officieel aangeboden en uitgedeeld onder de mensen. Het zal voor het eerst zijn, dat de mensen hier het Nieuwe Testament in hun eigen taal in handen houden!


We vliegen eerst naar een ander dorp om daar de helicopter te nemen, die ons naar Bambak zal brengen. Er is in Bambak zelf geen vluchtstrook, alleen een open plek waar een helicopter kan landen, dus dat is de enige manier om er te komen. Maar dat vind ik niet zo erg, de helicopter trips zijn erg interessant.

Als we uitstappen in Bambak, staan de mensen van het dorp ons al op te wachten. Kaisela kemi, kaisela kemi. De zendelinge heeft me geleerd wat goedemorgen is in hun taal, dus ik heb alle tijd om dat woord nu te oefenen, terwijl ik de handen schud van alle mensen.


En dan zit ik gelijk weer midden in de geestelijke strijd. Een ouder vrouwtje, met alleen een doek om haar heupen, blijft mijn hand schudden, en me aan staren. Ze streelt mijn haar en prevelt voor zich uit en blijft in mijn ogen staren. Ze laat me niet meer los. Ik begin me ongemakkelijk te voelen. Dit gedrag is niet omdat ze een blanke ziet met blond haar, want ze is gewend aan de dochter van het zendingsechtpaar. Waarom doet ze zo? Ik maak mijn hand maar los uit haar greep, geef haar nog een knuffel en loop door. Ik merk dat ze achter me aan blijft lopen, maar negeer haar. Beetje zielig, maar ik weet ook niet wat ik er anders mee moet.

Uiteindelijk hebben we alle handen gehad, en lopen we naar het huis van het zendingsechtpaar. Daar aangekomen vertelt de zendelinge dat ze heeft opgevangen dat de mensen over me praten. Ze hebben het erover dat ik een teruggekomen geest van een overleden familielid ben.
Ze legt uit dat dit een algemeen geloof is van de mensen hier. En het feit dat ik hen groette in hun eigen taal heeft dit versterkt, ze denken dat ik hun taal spreek.

Dat verklaart gelijk mijn contact met het oudere vrouwtje. Ik vertel het aan de zendelinge, en ze beaamt dat deze ‘vreemde’ manier van begroeten inderdaad komt door deze diepe geloofsovertuiging, dat ze denkt dat ik teruggekomen ben uit het dodenrijk. Een overtuiging die vooral nog sterk bij de oudere generatie leeft.

Dit is goed om te weten. En goed te gebruiken in mijn eerste les. Die zal gaan over de waarheid. Iedereen heeft in zijn geloof bepaalde ideeën die niet kloppen met Gods waarheid. Dit kan bijvoorbeeld in onze westerse cultuur je idee van God zijn, dat je Vaderbeeld van Hem niet klopt, omdat je zelf een pijnlijke relatie hebt met je eigen vader, of het idee dat je Gods liefde moet verdienen door goede werken.
Hier is dat dus een verkeerd idee dat de blanke mensen teruggekeerde geesten uit het dodenrijk zijn van overleden familieleden.

Ik zal dit in mijn eerste les op een voorzichtige en gevoelige manier naar voren brengen. Mijn gedachten zijn alweer bezig hoe dit in te passen in mijn les. Ik krijg het idee om ze het Nederlandse woord goedemorgen te leren, en om ze dan te vragen of ze mijn taal spreken. Nee dus. En om te laten zien dat ik geen geest ben, zal ik ze de foto’s van thuis laten zien, van mijn bloedeigen ouders en broers en zussen.
Aan de andere kant, ik kan nog zo veel bewijsmateriaal aanleveren, het is uiteindelijk de Heilige Geest die hen zal moeten overtuigen van de waarheid. Want de zendelingen hebben hier al 20 jaar gewerkt, hebben hen als gezin gezien, met kinderen, en met ouders die voor een aantal weken over zijn geweest, en toch is dit geloof nog zo sterk, dat zo’n vrouwtje mijn hand niet meer wil loslaten. Hoe diep zitten onze overtuigingen! En hoe moeilijk om die te veranderen.
Ik voel gelijk ook de geestelijke strijd waar we in zitten, en onze tekortschietende kracht. Wat ben ik blij met ons wapen van gebed. En met een biddende achterban.

Het dorp is gebouwd op de oevers van de oceaan. Ik loop er rond en bedenk me hoe ik dit kan omschrijven aan de mensen thuis in Nederland. De beste uitleg is volgens mij als volgt: bouw een 20 tal bamboehuizen op het wad van Schiermonnikoog, plant hier en daar een cocosnootboom, breng 30 varkens en 20 honden over, en je hebt ongeveer de
situatie van het dorp hier, inclusief geur! O ja, en natuurlijk een irritante haan, die elke ochtend om half 5 zijn snater opengooit, om de innige vrede en rust met een ferme kreet te verscheuren.
Kijk ik de andere kant op, landinwaarts, dan is er van de vergelijking met Schier niet zoveel meer over. Daar is het moeras, met de mangrovebomen, en de ondoordringbare jungle, vol hangende boomwortels en lianen. Met de vogels en zijn onbestemde geluiden. Het zand van het wad is zwart, en geeft een zinderende hitte overdag. Je moet hier gewoon slippers dragen, met blote voeten erover heen lopen is bijna te heet. Het zand brandt je voetzolen.
Ik ben benieuwd of de geur zal wennen. De lucht is zwaar van die specifieke geur van het wad en moeras. Af en toe een bries vanaf de oceaan maakt het iets lichter. Als ik de zoute lucht ruik sluit ik mijn ogen, en waan me even terug op mijn geliefde Schier. Grappig hoe geuren emoties en herinneringen naar boven kunnen brengen.

We worden ondergebracht in een huis van 1 van de bewoners. Een huis op palen, op de rand van het water en het strand. We hebben een teamlid mee dat 124 kg weegt. Als ze het trapje beklimt, schommelt het huis gevaarlijk heen en weer. Ook de vloer van dunne latten, met grote gleuven ertussen kraakt gevaarlijk. Ze durft zich haast niet te bewegen. Bang om een lat te breken en pardoes door de vloer te zakken, om in de oceaan die onder ons huis klotst gedurende de hoog water stand, terecht te komen. De mensen van het huis lachen haar vierkant uit. Ik ben benieuwd of het huis het gaat houden, deze komende 3 weken.

Die nacht slaap ik goed. Het is ietsje koeler ’s avonds, en de geluiden van de oceaan, en de zoute lucht maken me heerlijk moe.
De volgende ochtend vroeg gaat ons teamlid naar de wc. Die is buiten, ongeveer 3 minuten lopen de jungle in. Ze hebben speciaal een huisje van bananenbladeren voor ons gebouwd met een gat in de grond. De mensen hier doen hun behoefte overal en nergens in de jungle of in de oceaan. Als ons teamlid vertrekt richting toilet schommelt het huis zo erg dat ik half wakker word en denk dat de vulkaan die op het eiland is, is gaan werken, en we een vulkaan uitbarsting kunnen gaan verwachten. Als ik helemaal wakker ben, en zie wat er werkelijk aan de hand is, schiet ik hardop in de lach over mijn eigen gedachten.

Het is tijd om te vertrekken naar het volgende dorp, waar het feest zal plaatsvinden. We lopen ongeveer een half uur door het moeras, over bruggetjes van bamboe en soms alleen een enkele boomstam, waaronder de stinkende brij van het moeras aan het gisten is. O o, als ik nu toch eens mijn evenwicht verlies, en in die vieze braggel val, volgens mij raak ik de stank dan nooit meer kwijt!




Gelukkig weet iedereen zijn voeten op de onderhand gladde boomstam te houden, en zo arriveren we dan een dik half uur later in het volgende dorp. De Bijbels worden per kano ingevaren. Onder luid zingen en veel gedans van de traditioneel geklede bewoners. Een heel feest.
In optocht gaat de stoet met de Bijbels naar de kerk, waar door de priester een zegen wordt uitgesproken over de Bijbels. Dit gebied is sterk katholiek. De eerste zendelingen kwamen rond 1950, en waren katholiek. Ze hebben de bevolking achtergelaten met een katholieke liturgie die tot op de dag van vandaag angstvallig wordt vastgehouden. Ook de Maria verering is sterk aanwezig. Dat hebben we kunnen merken tijdens onze cursus, maar later meer daarover.

Na de dienst en toespraken worden er nog wat voorstellingen van dansen gehouden, en worden we voorzien van eten: rijst, kaukau (zoete aardappel), en tapiok, alles gekookt in cocosmelk. En natuurlijk is het varken genaamd ‘Dedication’ geslacht. Ook is er vis. Een rijk maal.

Weer terug naar huis, over de bamboe en de boomstammen. We redden het opnieuw.
Thuisgekomen gaan we eerst naar de rivier om te douchen. De hele dag heeft het zweet met straaltjes over mijn rug en voorhoofd gelopen. Het is hier HEET! Afkoelen in de rivier in de jungle is de enige manier om een beetje af te koelen. Opnieuw een wandeling van ongeveer 10 minuten over bamboe bruggetjes en boomstammen, om over de ergste plekken van het mangrovemoeras heen te kunnen komen.
En dan is daar de rivier. Fris stromend helder water rechtstreeks uit de bergen. Wat een heerlijkheid! We duiken er in, met kleding en al uiteraard. De luxe van een privé douche is voorlopig even buiten beeld. Hier is het weer wassen, terwijl er 10 kinderen en 5 vrouwen je
aan zitten te staren. Knop om dus. En rustig terug staren naar de vrouwen die in het zelfde water hun afwas doen, en hun kleren wassen.
Ik zorg ervoor dat ik een plekje heb stroomopwaarts, zodat ik niet in de wegdrijvende aardappelschillen mijn haar hoef te wassen of varkensresten terugvind in mijn bh als ik thuis me om ga kleden.

Het blijft me verbazen dat de mensen hier zo kunnen leven. Ik houd dit waarschijnlijk wel 3 weken vol, maar dan is de maat ook wel vol. Om dit elke dag, jaar in jaar uit, zo te moeten doen, pfew!
En dit is nog een heerlijke rivier. Ik herinner me de rivier van het dorp waar we vorig jaar waren. Die was zo vies en zanderig, dat het zand op een gegeven moment overal zat te schuren, in je haar, tussen je tanden, billen en lakens.

Ik heb deze 10 minutenwandeling er wel voor over, om een frisse duik te hebben elke dag.
Als we terug lopen passeren we weer de bruggetjes. Eén van deze bruggen ligt over een kleinere rivier, die uitkomt in het moeras. Een plek met veel muggen. Ik zie dat er vrouwen zijn die niet de wandeling nemen naar de andere rivier, maar zich wassen in dit riviertje, dichterbij het dorp. Het is dezelfde plek als waar de varkens verkoeling zoeken.
Er is een keer geweest, dat ik de brug passeerde, en ik een vrouw haar haren zag wassen in dit riviertje. Nog geen meter verderop stond er een varken in datzelfde stroompje te plassen.
Het raakt me diep. Hoe kun je jezelf waardevol voelen, als je in hetzelfde water wast als de varkens? Hoe werkt dat voor de mensen hier? Zijn ze er zo aan gewend? Of is dat een lijdend bestaan, omdat het niet anders kan? Geven ze er niet om, of zouden ze het anders willen?

De volgende dag is het zondag. Een 30 minuten wandeling naar de kerk in weer een andere dorp, genaamd Marika. In dit dorp, in deze kerk, zullen we ook de cursus houden. Lijkt me een goed plan, ik ben er wel voor in om een wandeling te hebben, voor een beetje beweging. Hoewel het bloedheet is, en het zweet van je rug loopt, is het toch altijd beter dan
alleen maar in de hitte te zitten, en les te geven. En wie weet, zie ik nog een paar interessante vogels onderweg. Want de route loopt dwars door de jungle.
De kerk staat buiten het dorp. We moeten nog een laatste brug over, en dan zijn we bij de kerk. Zelfs hier zijn de sporen van de oorlog met Japan zichtbaar: een halve huls van een oorlogsbom doet dienst als bel, om de mensen op te roepen om naar de kerk te komen.

Carol zit naast me, en fluistert me toe: De kerk staat helemaal buiten het dorp, en is afgezonderd van het dorp door de rivier. Het is of God buiten de gemeenschap wordt geplaatst.
Ja, ze heeft gelijk, en ze merkt dat treffend op. In elk dorp, precies in het midden, is een afgeschermde plek, waar een klein huisje staat met Maria, en een heilige. Daarom heen staan een paar bamboe bankjes, waar ’s avonds een kleine dienst wordt gehouden. Maar Gods huis staat buiten het dorp, aan de andere kant van de rivier.

Er zijn 4 dorpen aanwezig in de kerk. Elk dorp heeft zijn eigen hoek. We zingen een paar liederen, waaronder een paar aanbiddingsliederen voor Maria. Er worden gebeden opgedreund, niemand lijkt echt betrokken. Mijn hart huilt. Waar is het hartscontact met God?
Dan staat de kathegist op voor de preek. Dat moment raakt me diep. Voor het eerst wordt Gods woord in hun eigen taal hier geopend in de kerk! Wauw. God spreekt hen persoonlijk toe, in hun eigen taal. O, dat Zijn woorden hen diep, diep in hun harten zullen raken. Dat ze mogen zien dat dit een liefdesbrief is, geschreven in hun hartstaal, een uitnodiging voor het mooiste wat er is, een relatie en op avontuur met de Schepper van het heelal en onszelf.

Maar de mensen zitten er leeg bij. Een glazige blik. Het is of ze de dienst uitzitten. Opnieuw worden er wat gebeden opgedreund, het Ave Maria wordt gezongen, en binnen een uur staan we weer buiten. Iedereen kan een vinkje zetten bij vandaag: kerkbezoek volbracht. Maar wie is er gevuld? Of is iedereen nog net zo leeg als toen we binnenkwamen? Ben ik te negatief? Ik weet het niet, maar ik voel me diep verdrietig. Is dit het leven geweest in al deze afgelopen jaren? En waar is de troost, de veiligheid, in het gevecht met de geesten van de duistere kant? De kerk moet een antwoord zijn, een schuilplaats tegen de machten van de duivel, een plek om te horen dat we onder Gods vleugels kunnen schuilen, dat Hij het is die alle macht heeft, en ons beschermd. Niet Maria! We hebben geen tussenpersoon nodig om bij Hem te komen. We hebben Maria niet als persoon om voor ons te zorgen, over ons te waken, zoals werd gezongen en gebeden. Dat is geen troost, dat is geen veiligheid. Wat leven deze mensen in een vreselijke wereld, als dit het enige antwoord is dat ze hebben op hun oeroude overtuigingen.

In mijn hart onderweg naar huis bid ik maar 1 gebed: God, Vader, alstublieft, ontmoet hen Zelf Persoonlijk op deze weg van hun routine en religie.

We starten de cursus. We zijn voorzichtig met het aanstippen van hun overtuigingen die niet in overeenstemming zijn met Gods Woord. We benoemen de waarheid, en bidden dat de Geest hen de conclusie zal laten trekken met welke wegen ze moeten verlaten. Het rechtstreeks benoemen zou de deuren van hun hart sluiten. Elke ochtend en avond hebben we een uur gebedstijd. We hebben het nodig. Zowel als bescherming voor onszelf, als voor een doorbraak voor de mensen hier. God, kom hier wonen! Kom Persoonlijk in de harten van deze mensen. Laat ze Uw waarheid zien!

Tijdens mijn eerste les benoem ik dat het idee niet klopt dat ik de taal spreek. Dat ik alleen maar 1 woord weet. Ik leer hen ‘goedemorgen’ in het Nederlands, en hoop dat ze de boodschap begrijpen. Ik weef in mijn verhaal mijn achtergrond en gezinssituatie, en laat ze foto’s zien. Het team bidt ondertussen dat het zal klikken in hun gedachten dat ik dus niet teruggekeerd ben van het dodenrijk, maar per vliegtuig aangekomen ben van de andere kant van de zelfde wereldbol.
Ik neem Johannes 14:6 als uitgangspunt. Alleen Jezus is de enige weg naar de Vader. Niemand anders. We bidden dat ze door zullen krijgen, dat Maria niet de weg naar de Vader is. Dat het eigenlijk niet eens Bijbel getrouw is. Dat God alleen aanbeden wil worden. We lezen deze Bijbelgedeeltes, en bidden dat de waarheid door mag dringen en hun oude tradities en overtuigingen zal omvormen.
De eerste dag tijdens mijn eerste les, laat ik ze Joh 14:6 lezen. Allemaal tegelijk. Het gaat moeizaam, maar ze komen er uit. Het is voor velen voor het eerst om in hun eigen moedertaal te lezen. De meesten, als ze kunnen lezen, hebben dat geleerd in het Tok Pidgin. Nu is het de uitdaging om je eigen moedertaal te lezen.
We lezen het een paar keer over, en dan vraag ik ze om het uit hun hoofd te doen. Dat is te snel. Ik geef het op als huiswerk: morgen kent iedereen het vers uit het hoofd. Laat dit de basis zijn van deze cursus.

Het is altijd weer zo bijzonder om de Heilige Geest aan het werk te zien. Hij laat zien welke teksten in te zetten. Hij laat zien hoe we in onze lessen die dingen kunnen benoemen op een sensitieve manier, zonder aanval, maar gewoon door de kracht van Gods Woord zelf, door de kracht van de waarheid. Ik wist van de overtuigingen die de mensen hier hebben, bijna niets af, toen ik aankwam. Ik had een andere inhoud van de les voorbereid, maar Gods Geest werkt. We hoeven alleen maar open te staan voor Hem, een instrument te
zijn in Zijn handen, en Hij gaat dan aan het werk. Een andere inhoud, maar eentje die beter aansluit bij waar de mensen zijn. God wist dat, ik niet, maar de les sluit aan, dankzij Zijn invulling.

De volgende les die ik moet doen, heb ik amper voorbereid. Ik heb de handleiding, en verder laat ik het invullen door de heilige Geest. Deze les gaat over het opbouwen van een persoonlijke relatie met God. Tijdens het lesgeven krijg ik een idee over een dramastukje.
Ik vraag Carol en het andere teamlid naar voren te komen. Ik vertel de mensen over de vriendschap met Carol en dat we in hetzelfde huis wonen. Maar dan ga ik naar het andere teamlid en speel dat ik graag iets aan Carol wil vragen. Ik vraag het andere teamlid om dit voor mij aan haar te vragen. We spelen het uit. Carol weet niets van deze drama, wordt onverwachts voor de situatie geplaatst, maar haar antwoord is perfect, door God ingegeven: “waarom vraag jíj dat aan mij? Ze woont bij mij in het zelfde huis, ze kan het zelf vragen.”
Exact! We mogen zien dat we bij God thuis mogen zijn, en rechtstreeks met onze vragen naar Hem toe mogen gaan.
Ik leg hen dit uit. En dan vraag ik aan hen: durven wij naar God te gaan, zoals in Hebreeën 4:16 staat? Of hebben we een intermediator nodig, omdat we niet durven?
Geschuifel met voeten, vragende gezichten. Ik noem een paar dingen. Misschien bid je zelf niet, maar bid de priester voor je? Je mag zelf bidden. Of misschien denk je dat alleen Maria voor je kan bidden tot Jezus?
En daar laat ik het bij. De Heilige Geest zal het in hun harten uitwerken.

En zo werken we langzaam door de cursus heen.
Het lezen uit de Bijbel in hun eigen taal gaat eerst moeizaam. Na 2 weken zien we een grote verbetering. De mensen hebben plezier in het lezen in hun eigen taal.

Dan komen we bij het gedeelte over Satan en zijn strategieën. De mensen zijn vol aandacht. Dit spreekt hen aan. En dan ineens wordt me hun diepste vraag helder. Hoe weten we nu of iets van God komt of van Satan?
Ik vraag het aan hen. Ja, dat is precies de vraag die hen bezig houdt. Ook nu weer: dit stuk had ik niet ingecalculeerd, en niet voorbereid. Maar de Heilige Geest geeft de wijsheid en wijst de Bijbelstukken aan. We lezen 1 Joh 4. Elke geest die belijdt dat Jezus Koning is, en belijdt dat Hij gekomen is om voor ons te sterven en te redden, is van God.
Er komt een verhaal los. Een man heeft zijn moeder verloren een aantal maanden geleden. Toentertijd heeft hij een activiteit gedaan, om uit te zoeken of zijn moeder betoverd was, of dat het een natuurlijke dood was. Sindsdien heeft de man last van angstdromen, en is er een stok die uit zichzelf beweegt en dingen schrijft, als je hem op je vinger legt.
De zendeling beaamt het verhaal. Hij is er zelf bij geweest en heeft gezien dat de stok ‘sprak’ door de woorden in de lucht te schrijven.
De stok schreef: ik ben de Heilige Geest. Voor de man een moeilijk probleem. Hoe kan hij nu weten of dit van God is of van Satan?
De man was met deze vraag naar de zendeling, genaamd Stephan, gegaan. De stok schreef: Steven, jij moet in de Heilige Geest geloven.

Voor de zendeling was het duidelijk. Dit is niet van God. Waarom niet? God heeft geen stokken nodig om ons dingen te vertellen. En God weet dat hij in de Heilige Geest gelooft, dus dat hoeft God niet te zeggen. En als mooiste argument: God weet hoe zijn naam gespeld moet worden, de stok heeft het verkeerd gespeld. En uiteindelijk zal de Heilige Geest nooit op zich zelf wijzen, maar altijd naar Jezus.
Dus dit is Satan, die zich voordoet als de engel van het licht, die wil dat Stephan in hem gaat geloven.
Wow, dit illustreert precies het spanningsveld waar deze mensen al zolang in leven. Wat een geschenk om nu 2 weken volop met de waarheid bezig te zijn, om ze een kans te geven om deze vragen eindelijk eens uit te spreken, en samen op zoek te gaan in Gods woord, om de antwoorden en de vrijheid te vinden. Tijdens de cursus kwam dit onderwerp herhaaldelijk weer naar voren. We bidden dat God het gebruikt om ze los te weken van hun oude gebruiken.

Het mannenhuis Tijdens 1 van onze gebedsbijeenkomsten ’s avonds vertellen de 2 mannelijke teamleden, (alle teamleden komen uit PNG en hebben een geweldige voorsprong om dieper op dingen door te kunnen vragen) dat ze in het mannenhuis zijn geweest. Het was hen opgevallen dat er een extra plafond in dat huis was. Ze hebben doorgevraagd waar dat voor was. “Dat is de afdeling voor de geesten. Daar brengen we de offers voor ze, en vragen we ze om wijsheid, om raad, om aan te tonen wie betoveringen heeft gepleegd.”
Er is hier geen politie, geen overheid die de wet en de orde houdt. Dit wordt al jaar en dag gedaan door het contact met de geesten. De orde wordt gehouden omdat mensen bang zijn voor de gevolgen. Wetten worden nageleefd op basis van angst. Angst voor betoveringen, voor de geesten.
De teamleden hebben gevraagd of ze het mochten zien, en inderdaad lagen daar de offers van kippenbotjes en veren, schelpen en bepaalde bladeren.
Ze vertellen dat er intens gebed nodig is voor deze praktijken. De mensen zitten nog helemaal vast hierin. De zendeling is verbaasd. In al die 20 jaren heeft hij hier niets van afgeweten. Dit leeft nog volop, maar wordt helemaal in het verborgene gehouden.

Ook dit verwerken we in een les. We kunnen niet 2 wegen bewandelen. En God om raad vragen, en Satan. Samenwerken kan niet. Maak een keus, kies voor de vrijheid. De 2
mannelijke teamleden doen geweldig werk hierin. Ook nu weer kunnen we duidelijk de sensitiviteit en wijsheid van de Heilige Geest zien.

We hebben een les waarin we als huiswerk geven: bid tot God dat Hij zal laten zien wat er in de gemeenschap moet veranderen. En neem dit de volgende dag mee, dan praten we erover.
De volgende ochtend heeft de zendeling een vraag aan de gemeenschap. ’s Nachts heeft God hem duidelijk gemaakt dat er iets is dat veranderd moet worden. Er een woord in de taal die 2 betekenissen heeft. Het woord is ‘Puda’. Alom wordt er geknikt. De betekenissen van dit woord zijn: ‘geest’, en ‘blanke mensen’.
Door dit woord te gebruiken voor beide betekenissen, houden we het oude geloof in stand dat de blanke mensen teruggekeerde geesten zijn. Zijn vraag nu aan de leiders van de dorpen is om de taal te veranderen. Kan het woord ‘Puda’ alleen gebruikt worden voor geest? Laten we de blanke mensen whiteskins noemen. Er wordt geknikt. De mannen zijn het er mee eens.
De taal veranderen, om Gods waarheid te beschermen. Wow, dit gaat diep!

Dan staat 1 van de mannen van het dorp op. Hij spreekt met kracht en vuur tegen het gebruik van tovenarij. Wow, dit is krachtig. Dit is iemand van henzelf, van hun eigen dorp. Iemand die begrijpt waar het om draait. Iemand die verandering wil van oude gebruiken. God raakt de mensen aan, ze gaan de waarheid zien. Die avond bidden we dat God deze persoon zal gaan gebruiken om hier verder te werken. We bidden voor bescherming voor hem, dat hij hier niet alleen in zal staan, en uitgeworpen zal worden door de gemeenschap. Satan heeft er geen zin in dat zijn rijk wordt getorpedeerd door de waarheid, hij zal er alles aan doen om dat te voorkomen. Gelukkig is God sterker. We lezen Openbaring 19:11-21. De overwinning is voor Jezus! Ik moet sterk aan de preek denken van mijn uitzenddienst: Koning Jezus werkt wel door! Hoe bemoedigend, juist ook hier.

En zo mogen we 2 weken zaaien. God zal de groei en de vruchten geven.

Elke avond eten we in een ander dorp. De taalgroep is verspreid over 8 dorpen, allemaal gebouwd aan de rand van de oceaan. Meestal is het donker voor we terugkomen. De mensen hebben elke avond een geweldige maaltijd klaarstaan, hoewel het elke dag hetzelfde is, zowel voor de lunch als voor het avondeten. De rijst, kaukau en tapiok, allemaal in cocosmelk gekookt, worden elke dag weer met evenveel enthousiasme opgediend. Daarnaast zijn de
mensen gul in het geven van geschenken: kettinkjes en kleding. En uiteraard wordt er van ons verwacht dat we het dragen.

Op een avond eten we in het verste dorp, Alaido.
Het is avond, de oceaan ruist, en hier en daar brandt een vuurtje. Verder is het donker. De gezichten van de mensen zijn amper te onderscheiden. De geluiden van de jungle zijn achter ons. Een overweldigende sterrenkoepel boven ons. En kinderen die uit volle borst aanbiddingsliederen zingen. Dit moment raakt me diep, diep in mijn hart. Het is of al het leven even samenkomt op 1 plek. God zelf is hier!

We worden per kano terug gebracht naar huis. Een paar kinderen en mannen brengen ons weg. Daar varen we, op de wijde oceaan, in het donker, met een schitterende sterrenhemel boven ons. Alleen het plonzende geluid van de peddels is te horen. Iemand heeft een gitaar meegenomen. Opnieuw wordt er een aanbiddinglied ingezet. Opnieuw dat intense gevoel. God zelf vaart met ons mee. Voelbaar aanwezig. Hij die is, en was, en komt!

Thuisgekomen blijkt dat er groep mensen in ons huis is neergestreken. Het zijn handelaars van een dorp 2 dagen lopen verderop. Ze blijven bij ons slapen. Maar ze maken er een aardig feestje van. De huiseigenaar heeft een generator die op benzine loopt. Voor deze gasten heeft hij benzine ingeslagen, zodat hij de mensen kan vermaken met muziek van de radio. Nou ja, muziek, een hoop ruis en herrie, dat wedijvert met de herrie van de generator. Het lijkt dat de kinderen die meegekomen zijn hierin ook hun steentje willen bijdragen, want ze brullen rustig een deuntje mee. Wat een takkeherrie. Hoe kunnen we nu in slaap komen, om morgen weer fris en fruitig les te geven?
’s Nachts moet ik naar de wc. Ik klim over minstens 5 personen heen, die her en der in het huis en op de veranda en onder het huis liggen te slapen. Er schiet een lied door mijn hoofd:
I simply remember my favourite things, and then I won’t feel so bad…….Ah, sound of music. Ik schiet hardop in de lach. Hoe toepasselijk.
Als het de volgende nacht opnieuw zo’n herrie is, besluiten we om te verhuizen. We kunnen in het huis van de zendelingen terecht voor de laatste 5 nachten. Een hele verademing.

Op een avond als we bezig zijn met de nabespreking van de dag en onze gebed willen beginnen, horen we opeens een hoop geschreeuw in het dorp. We doen navraag, en het blijkt dat er geesten worden uitgedreven bij een vrouw die al lang met hoofdpijn rondloopt.
Ik merk dat, nu ik wat langer weer in deze situatie zit, ik er ook af en toe de spot mee begin te drijven. Ik vraag dan ook of het misschien een minder handig idee is om dat zo schreeuwend te doen, aangezien de vrouw al hoofdpijn heeft. En ik vraag of er nu een kans is dat we geen varkensvlees meer
hebben op onze laatste afscheidsfeest, aangezien uitgedreven geesten wel eens in varkens varen en die dan laten verdrinken in de oceaan……

De volgende dag eten we weer in een ander dorp. Gelukkig zie ik hier en daar nog varkens lopen, dus dat is goed gekomen.
Het is opnieuw donker als we teruggaan naar huis. We moeten dit keer lopen. Een hele rij kinderen loopt met ons mee. En dan vang ik dat woord weer op: Puda. Een kans om ook hier met de kinderen over te praten. Ik vraag of ze dat woord voor 2 dingen gebruiken. Ja, dat doen ze. Een mooie kans om te getuigen aan de kinderen. Al lopend vertel ik ze over het geloof dat sommige mensen hebben, dat de blanke mensen geesten zijn. En dat dat niet zo is. En daarom kunnen ze beter de blanke mensen whiteskins noemen, en de geesten puda’s. Ze moeten dat maar doorvertellen aan hun vrienden. Prachtig, om zo ongedwongen, lopend langs de oceaan, met deze kinderen over God te praten. We komen langs een omgevallen boom. Met elkaar klimmen we erin, en dan maken we een foto. Wat een feest.



Het is onderhand helemaal donker geworden. Onderweg zien we fluorescerende paddenstoelen, en hangen de vuurvliegjes als kerstverlichting in de bomen. Er lopen wat mannen met ons mee, die halverwege afslaan naar hun dorp. We wensen hen een goede nacht, en lopen in het schemerdonker verder, met alleen de maan die een beetje de jungle verlicht. Ik heb mijn zaklamp wel bij me, maar spaar de batterij, zolang we nog een beetje kunnen zien waar we lopen. We hebben net afscheid genomen van de mannen naar het andere dorp, en passeren een schaduw. Fred wenst het een vriendelijk goedenavond. Geen reactie. Ik knip mijn zaklamp aan om te zien of de persoon wel in orde is. Het licht onthult een vermolmde boomstronk. Mijn lach schalt door het oerwoud. Fred’s spontane reactie: whai, sorry ja.



Een verkoelende regenbui

En zo komen we weer aan het eind van de cursus. De laatste dag is aangebroken, en we wachten op de helicopter die ons weer thuis zal brengen.
Ik moet naar de wc, en loop de jungle in. Daar wachten 2 meisjes op mij. Ze vragen aan me of ik me nog herinner dat ze me een blouse hebben gegeven. Ja, inderdaad, nu je het zegt. Of zij dan nu mijn bh mogen hebben. Wat???!! Begrijp ik dat goed? Jullie vragen me om mijn bh? Nee, dank je lekker, dan mag je de blouse wel weer terug.
Ik loop door naar de wc. Als ik terug kom staan er 2 andere meiden te wachten: wanneer geef je ons je tshirt dat je droeg toen je je waste in de rivier? Wat?? Mijn tshirt? Ho eens even, die heb ik nooit beloofd, want daar heb ik maar 1 van. Die geef ik niet weg. Hoezo? Waar hebben we het over? Ik leg vriendelijk uit dat ik er maar 1 van heb, en dat ik het dus niet delen kan.

Ik loop door. Puzzled. Is dat de cultuur hier? Geven zij alles wat ze hebben, en verwachten ze dat ook van mij? Geven zij niet het beste van het beste? En ben ik nu egoïstisch dat ik mijn bh niet afgeef? O, ik vind dat zo ontzettend moeilijk hier in deze cultuur! Hoeveel moet ik geven van mezelf, van mijn tijd, van mijn energie, van mijn spullen, van mijn geld, van mijn eten?? Elke keer weer heb ik het gevoel dat ik tekort schiet. Hoeveel vraagt God hierin van me? Ik kan niet zomaar mijn bh weggeven. Dat heb ik niet inbegrepen in mijn spullen. Ik kan niet zomaar mijn eten delen, want dat loop ik zelf tekort op het eind. Ik kan niet aan het eind van de dag en het lesgeven, nog rondhangen met mensen, en kletsen en relaties opbouwen. Ik ben dan leeg, op. Maar dat is juist de cultuur hier. Relatie gericht. Ik moet denken aan het verhaal van Martha en Maria met Jezus. Ik trek het verder door naar de cultuur hier en het westen. Ik denk dat hier de cultuur meer Maria-gedrag vertoont. En het westen is als Martha. Ik voel me vaak zo’n Martha, die maar bezig is met van alles, in plaats van een Maria, die gaat zitten, en een relatie opbouwt. Die luistert. Die om de mensen geeft, en ze laat voelen en merken hoe waardevol ze zijn.
Wat heeft mijn les voor zin, als ik ze zeg dat God van hen houdt en hen waardevol vindt, als ik zelf dat niet eens laat merken? Dat ik niet eens tijd aan hen besteed na het lesgeven, maar me dan terug trek in mijn kamer, en een boek ga lezen, of muziek ga luisteren? Wat is de boodschap die ik dan uitzend naar de mensen van deze cultuur?
Is de beste preek niet díe, die wordt uitgeleefd, in plaats van wordt uitgesproken?
Moet ik hierin niet meer geven aan de mensen, me anders op gaan stellen, in het vertrouwen dat God weer aan mij geeft wat ik nodig heb? Ben ik niet veel te veel op mezelf gericht, in de overlevingsmood? Maar waar haal ik de energie vandaan?
Dit is een punt waar ik al een tijd mee worstel, en waar ik echt rust in moet gaan zien te vinden, wil ik mezelf niet gek maken en overspannen raken. Ik moet een balans vinden, want anders loop ik leeg in mijn eigen gevoel van tekortschieten.
God, help me hierin. Laat het me maar zien. Ik weet het echt niet.

En nu ben ik weer thuis. Heerlijk. Rust, ruimte, een schoon bed, en niemand om me heen. Bijtanken. Met een kop koffie en een boterham met kaas op de bank.
Straks weer voorbereiden voor de volgende cursus die over 2 weken zal zijn. Maar eerst rust. Alles weer verteren en verwerken.

Dank U Vader, voor ALLES.
Wilt U de vruchten geven in de harten van deze mensen. Laat ze Uw liefde en waarheid en vrijheid zien. Laat ze zien dat Jezus, door Zijn lijden en sterven, de weg, de waarheid en het leven is!
Heilige Geest, gaat U al vast voor ons uit, naar de volgende plek waar we een cursus hopen te houden. Bereid hun harten alvast voor. Zodat het zaad van Uw woord wortel kan schieten. En help me in het vinden van een balans in wat ik kan geven, en wat ik voor mezelf maghouden.
Laat Uw licht schijnen in de duisternis!
Amen.


maandag 17 mei 2010

Mijn verhaal

Zondag hadden we zondagschool. Eén van onze jongens van 15, een lieve zachtaardige jongen, die zeer gemotiveerd is om de Bijbel te kennen, en God te dienen, kwam strompelend binnen. Er zaten nog 3 kogels in zijn lichaam, vertelde hij. Twee in zijn rug en één in zijn been. Die moesten er maandag in de kliniek worden uitgesneden. Zijn enige kommentaar was: ik was niet snel genoeg om me te verstoppen.

De les in de zondagschoolboek voor deze ochtend was: being compassionate. Help mensen die in nood zijn. Houd niet alleen van de mensen die je goed gezind zijn, maar ook van je vijanden.
Wat heb je dan als zondagschoolteacher de wijsheid van de Heilige Geest nodig om de les goed over te brengen.
Het raakte me diep dat deze jonge kinderen al op zo’n jonge leeftijd zulke volwassen lessen moeten leren, en  ze moeten toepassen in hun eigen leven.
Maar wat zal God ze zegenen, als ze hun hart ook nu willen richten op Hem, in plaats van op wraak.
En God heeft een plan met deze jongen, nu hij op zo’n wonderlijke wijze gespaard is gebleven, en God het heeft verhoed dat de kogels geen essentiele organen hebben geraakt!

Onderstaand verhaal vertelt wat er gebeurd is vorige week maandag. Het verhaal is fictief, maar alle elementen die ik heb gebruikt, zijn waargebeurde verhalen die ik heb gehoord van de mensen die het zelf hebben meegemaakt.
………………………………………………………………………………………………….


Ze kwamen 10 minuten voordat de bel zou klinken van de pauze van 3 uur……

Ik stond op dat moment buiten aan de rand van mijn dorp. Aan het kijken naar de kinderen aan de andere kant van het hek. Daar is het dorp van de witten mensen. De kinderen waren op het plein van hun school aan het spelen. Ze hadden gymles. Ik vond het al vreemd dat ze halverwege de les naar binnen gingen. Normaal hoor ik altijd de bel, en dan pas gaan ze weer naar binnen. Maar nu zag ik dat er een mevrouw naar de lerares liep, ze even met elkaar stonden te praten, en daarna nam de lerares de kinderen mee naar binnen. Ik begreep er niks van. Maar toen zag ik alle volwassen mensen van de school naar buiten komen. Ze stonden op de veranda, en wezen naar de heuvelrug, aan de andere kant van de school. Wat zouden ze daar zien?
En toen zag ik ze ook. De mannen met geweren over hun schouders, ik denk ongeveer 15, die zich hadden verscholen in de bush, en langzaam, bijna onzichtbaar, dichterbij mijn dorp slopen!
Mijn hart stond stil. Flitsen van vorig jaar kwamen in mijn gedachten. De plundering, al het schieten. Vorig jaar hebben ze mijn opa doodgeschoten. En mijn vader hebben ze ook te pakken gehad. Ze hebben wel honderd kleine kogeltjes in zijn lichaam geschoten. Eentje is in zijn oog terecht gekomen. Hij is nu blind aan dat oog. En nog steeds komen er af en toe kogeltjes uit zijn lichaam. Laatst kreeg hij opeens een wond achter zijn oor. En toen hij naar de kliniek geweest was in het dorp van de witte mensen, kwam hij terug met weer een kogeltje. Die had nog de hele tijd in zijn lichaam achter zijn oor gezeten, en was er nu uitgewerkt. Hij verzamelt ze in een potje op de plank in de keuken. Het had mijn moeder en vader wel 5 maanden gekost voordat ze ons huis weer een beetje op orde hadden, en we ons weer een beetje veilig voelden.
Ik zag ondertussen dat de mannen heel dichtbij gekomen waren. Ik herkende de voorste man. De meest ruige. Dat was Rapick. Hij was de vorige keer ook de aanvoerder van de groep. Hij helpt mijn oom om ons bang te maken. Daardoor hoopt hij dat we naar hem gaan luisteren en dat hij de baas over ons kan zijn.
Mijn oom is vroeger geadopteerd door mijn opa en oma. Hij heeft altijd het gevoel gehad dat hij niet echt bij ons dorp en familie hoort. Dat vertelde mijn vader aan mij een tijd geleden. Daarom wil hij nu heel graag de leider van de familie en van ons dorp zijn. In ons dorp wonen allemaal ooms en tantes van mij. Mijn oom, Namus, wil alle grond hebben van mijn andere ooms en tantes, en wil de baas zijn van ons. Hij wil ons zeggen wat we moeten doen. Mijn oom is gemeen. Een tijdje geleden was hij naar de tuin van een van mijn tantes gelopen, omdat hij had gezien dat ze daar aan het werk was. Samen met mijn nichtje was ze de bonen aan het plukken. Hij had toen zomaar, zonder reden, mijn tante en nichtje in elkaar geslagen. Ze waren gevlucht, en hadden zich verstopt in het hoge gras in de bush.
In de avond was mijn oom ongerust geworden, omdat ze nog niet thuis waren. Hij kent Namus goed, en was bang dat hij hen vermoord had. Hij is toen met mijn andere oom naar de tuin gegaan. Maar daar waren ze niet. Hij heeft toen haar naam geroepen, en toen was mijn tante dapper genoeg om uit de bush te komen. Ze had haar hele rug open, en mijn nichtje had een blauw oog, en haar benen waren vol met bloed. Mijn oom heeft toen gelijk de politie gebeld. Maar die heeft er niks aan gedaan. Ik begrijp nooit waarom die ons niet helpen.

De mannen met geweren waren ondertussen zo dichtbij gekomen, dat ik naar huis ben gerend. Ik riep mijn vader, maar die was niet thuis. Mijn moeder was er ook niet. Die was met mijn kleine zusje naar de kliniek. Mijn zusje is al weken aan het hoesten, en mijn moeder wilde even weten of ze medicijnen moest gaan slikken. Toen ben ik naar het huis van mijn oom gerend. Ik schreeuwde: “Ze komen er weer aan, ze komen er weer aan!!!” Mijn oom kwam gelijk uit zijn huis gerend. Ik had zijn gezicht nog nooit zo verwrongen gezien, zo vol schrik en boosheid tegelijk. Hij greep me bij mijn arm, duwde me naar binnen.  In de schemering van het vuur dat in het huisje brandde zag ik dat mijn tante en mijn neefje ook binnen waren. Mijn neefje begon te huilen van schrik.
Mijn oom greep zijn pijl en boog die om de hoek van de ingang stonden. Net toen ik binnen was, hoorde ik de eerste schoten al. Mijn oom kwam weer binnen gerend, en greep zijn zoontje en mij bij onze arm. Hij schreeuwde tegen mijn tante dat ze mee moest komen. Met elkaar renden we het huis uit, de bush in. Vlak achter het huis van mijn oom is het oerwoud, vol met bomen en hoog gras. We renden een stuk het oerwoud in. Daar verstopte mijn oom ons in het hoge gras. Mijn neefje huilde nog steeds. Hij was zo geschrokken van zijn boze vader, en zijn bange moeder. Mijn tante stopte snel haar borst in zijn mondje. Want als hij zo zou huilen, zou hij onze schuilplek verraden, en dan zouden ze ons vinden en doodschieten. Net zoals mijn opa vorig jaar. O, wat was ik bang. Ik voelde mijn benen tegen elkaar trillen. Toen rende mijn oom weer terug. Nog steeds had hij de pijl en boog in zijn hand. Toen hij uit het zicht verdwenen was, begon mijn tante te huilen. Ze prevelde zachtjes voor zich uit met gesloten ogen. Ik hoorde dat ze aan het bidden was. Ze vroeg God om bescherming.

Na een tijdje viel mijn neefje in slaap. Mijn tante was nog steeds aan het bidden.
Ik wilde eigenlijk wel weten wat er gebeurde in mijn dorp!
Ik keek nog even naar mijn tante. Nog steeds had ze haar ogen dicht. Heel zachtjes sloop ik uit onze schuilplaats. Op handen en voeten, zonder geluid te maken, kroop ik terug naar de bosrand. Ik had vroeger van mijn opa geleerd hoe ik kon lopen zonder ook maar één geluidje te maken. Opa had me zo geleerd om op vogels en op wilde varkens te jagen. Maar nu was opa er niet meer. Maar ik zou laten zien, dat ik het goed geleerd had! En dus deed ik net of opa naar mij stond te kijken, en deed mijn uiterste best om zonder geluid bij de bosrand te komen. Ja, gelukt, opa zou trots op me geweest zijn!

Mijn opa had ook verteld over vroeger, dat ze toen ook wel eens hele dorpen hadden verwoest. En dat alle mannen dan werden doodgemaakt. Koppensnellerij noemde hij dat. Maar de regering had nu gezegd dat dat niet meer mocht. Maar dit was bijna hetzelfde. Vorig jaar was ook het hele dorp verwoest, en waren er wel 14 mannen vermoord.

Ik maakte een open plek tussen het olifantsgras, en kon precies het huis van mijn oom zien.
Overal hoorde ik schoten. Soms wel 5 of 6 tegelijk. Ik voelde dat ik overal kippenvel had. O God, help ons.

Toen zag ik een man komen! Hij had zijn geweer op zijn schouder. Zijn vinger al aan de trekker. Mijn oom stond in de deuropening. Hij had zijn pijl en boog in de aanslag. Ik zag de grimmige blik in de ogen van mijn oom en herinnerde me zijn woorden vorig jaar: nooit zal ik zomaar mijn huis, mijn vrouw en kinderen prijsgeven aan deze brute moordenaars.
Mijn hart stond stil. Ijskoude rillingen liepen over mijn rug.
Langzaam kwam de man dichterbij. Mijn oom stond fier rechtop in de deuropening. En toen gebeurde alles razendsnel. Ik hoorde een schot. De man met het geweer had gevuurd. Ik zag mijn oom inelkaar duiken. De kogel floot net over zijn hoofd.
Mijn oom gooide zijn pijl en boog weg. Wat kan een pijl en boog ook doen tegen iemand met een geweer! Als een varken, op handen en voeten, kroop hij tot achter zijn huis, dekking zoekend voor de man met het geweer. Ik hoorde het harde lachen van de man. Mijn oom kroop zo vlug als hij kon naar de bosrand. Hij kwam mij voorbij gekropen, maar ging niet naar de plek van mijn tante en neefje. Dat was slim van hem, vond ik. Voor hetzelfde geld kwam de man met het geweer nog achter hem aan, en dan zou hij zijn eigen vrouw en kind en mij verraden hebben. Mijn oom dacht natuurlijk dat ik nog steeds in die schuilplaats zat!
Mijn oom verstopte zich vlak bij mij. En wachtte af. Ik kon hem nog net zien zitten. Zijn t-shirt was kapotgegaan van de takken in de bush. Ik zag het zweet van zijn voorhoofd lopen. Heel stil wachtte ik af wat er ging gebeuren. Ik keek naar het huis van mijn oom en zag dat de man met het geweer niet achter mijn oom aangegaan was. Hij was het huis ingegaan. Toen zag ik hem weer het huis uitkomen. Hij had een tas bij zich met allemaal waardevolle spullen. Het suikerkommetje van mijn tante, de bushknive van mijn oom. De radio, die mijn oom had gekregen van mijn opa, om naar de zender te luisteren waar ze allemaal verhalen over het geloof op vertelden. En nog een paar boeken. Deze tas legde de man een eind van het huis. Toen kwam hij terug. Ik zag dat hij zijn geweer van zijn schouder nam. Hij draaide het geweer om in zijn handen. Toen zag ik dat hij de afwas begon stuk te slaan. Mijn tante had alle potten en schalen buiten in de zon te drogen gelegd. En nu sloeg de man alles stuk met de kolf van zijn geweer! Ik zag hem naar binnen gaan, en hoorde ook daar het lawaai van spullen die werden stukgeslagen. Van angst kroop ik een stukje naar achteren. Maar nu had ik er niet opgelet om het zachtjes te doen. Direct hoorde ik geritsel vanuit de plek waar mijn oom verscholen zat. Ik draaide me om, en zag dat mijn oom opgesprongen was, zijn vuisten gebald, klaar om iemand aan te vliegen. Toen zag mijn oom dat ik het was. Vol boosheid vroeg hij wat ik hier deed. Ik zei niks, mijn tanden klapperden tegen elkaar. Ik kon niet eens praten. Mijn oom duwde me naar beneden, en tegen elkaar aangedrukt keken we naar het huis van mijn oom. De man kwam weer naar buiten.
Hij liep naar de bosrand! Zou hij ons toch nog achtervolgen?
Maar nee, toen hij vlak bij kwam, greep hij een bundel gras. Dat scheurde hij af. Met een ander stuk gras bond hij het samen. En met die toorts liep hij weer terug naar het huis van mijn oom. Ik hoorde mijn oom kreunen:”neeeeeeh!”. Ook ik wist wat er ging gebeuren. De man zou het gras in het vuur steken, dat binnen in het huis nog steeds brandde. Dan zou hij het bij de wanden houden. Het hele huis zou binnen 3 seconden een vuurbal zijn, en niets zou ervan overblijven. En ja, daar zag ik de eerste vlammen al. Ze aten de muren van het huisje, die gemaakt waren van bladeren van de palmboom, op als een zwerm sprinkhanen een grasland kaalvreet. Binnen enkele seconden is er niks van over.
Ik hoorde een diepe snik. Mijn oom lag op de grond. Gebroken van wanhoop en machteloosheid.

De man met het geweer was weggelopen, met de tas met spullen van mijn oom en tante. Ik keek om me heen, en zag overal rookpluimen de lucht grijs maken. De zware lucht van rokend riet drong in mijn neus. Ik moest hoesten. Van schrik legde mijn oom zijn hand op mijn mond, zodat ik bijna stikte. Mijn oom tilde me toen op, en bracht me naar de schuilplaats. Mijn tante lag op de grond. Ze keek wazig voor zich uit. Ze groette ons niet, ze zei helemaal niks. Ze had de rook in de lucht gezien, en wist wat er was gebeurd. Wist dat het opnieuw was gebeurd! Mijn neefje sliep nog steeds, gelukkig maar.

Mijn oom nam mijn tante bij de hand. Ze schrok van zijn aanraking. Het was net of ze wakker werd. Toen kwam de paniek omhoog. Zo snel ze kon pakte ze mijn neefje op. Ook mijn oom was in paniek. Wat als ze de bush kwamen doorzoeken? Zo snel we konden renden we nu de andere kant op. Naar het huis van de pastor. Daar zouden ze ons niet pakken. Dat zou een veilige plek zijn. Voor de pastor zouden ze wel respect hebben. Ik hoorde de pastor door de luidspreker van het dorp oproepen om rustig te blijven. Hij praatte tegen de meneren met de geweren. Dat ze konden praten, dat ze niet zomaar alles kapot moesten slaan. En dat ze niet de huizen in brand moesten steken. Dat geweld niks oplost, en dat God de mensen van het dorp zou beschermen en hun daden zou straffen, als ze geen vergeving zouden vragen aan God. Wat dapper van de pastor, om dat te doen!!

We renden naar zijn huis. Daar waren al een heleboel mensen bij elkaar. Meest vrouwen en kinderen. Vorig jaar waren de mannen niet bij het huis van de pastor geweest. Dus dat zouden ze nu misschien ook niet doen! De vrouw van de pastor was er ook. Ze probeerde iedereen gerust te stellen. Maar nog voordat ze uitgepraat was, kwamen er drie mannen aan. Ze drongen het huis binnen. De pastorsvrouw probeerde hen tegen te houden door te zeggen dat ze de pastorsvrouw was. Maar de mannen lachten, ze hadden geen respect voor de pastor. Ze  sloegen haar zomaar midden in het gezicht.  De vrouwen begonnen te gillen. De mannen sloegen om zich heen, en zeiden dat we moesten rennen. Ze gooiden de deur open en we renden naar buiten. Vlak bij de deur kreeg ik een klap in mijn gezicht van de man die daar stond te kijken en te lachen. Bloed droop uit mijn neus toen ik in paniek het huis uitrende.
Ik rende zo hard als ik kon.

Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn neef op me afrennen. Aan de andere kant zag ik een man zijn geweer opheffen…. Hij richtte de loop op mijn neef…. Nog even en hij zou hem neerschieten. Ik was er van overtuigd.
Wat ik toen zag, kon ik bijna niet geloven. Het zal als een getuigenis in mijn geheugen gegrift staan voor de rest van mijn leven. Ik zag mijn nicht uit het hoge gras tevoorschijn komen. Ze was zijn grote zus. Ze had ook gezien wat er gebeurde. Zonder zich te bedenken rende ze naar mijn neef toe. Toen ze hem had bereikt, rende ze met hem mee, ervoor wakende dat ze tussen hem en de man met het geweer in bleef rennen. Op die manier beschermde ze haar broertje met een alles opofferende liefde.
Even zag ik de man aarzelen. Toen bracht hij zijn geweer naar de grond.
Ongelooflijk wat ze voor hem heeft gedaan! Ze had zijn leven gered! En God had de liefde van mijn nicht gezegend.

Toen hoorde ik gillen. Ijzingwekkend gegil kwam van de andere kant van ons dorp. Nee, dat was niet van een mens. Ze waren zelfs onze varkens aan het slachten!! Dat betekende dat we straks helemaal geen vlees meer hadden. Dat al het werk van het vetmesten voor niks was geweest.

Ik rende verder, richting het hek van het dorp van de witte mensen. De andere mannen met geweren waren nu aan de andere kant van ons dorp, aan de andere kant van de heuvel. De weg was vrij om naar de witte mensen te vluchten. Die zouden ons zeker helpen! Ik zag allemaal vrouwen en kinderen en mannen rennen. Overal zag ik huizen in brand staan. Overal renden mensen. En van de andere kant van de heuvel hoorde ik schoten, zoveel, dat ze niet meer te tellen waren. Ik zag een meisje dat ook in haar gezicht geslagen was. Haar tanden waren kapot. Haar moeder probeerde haar te helpen om te vluchten, maar ze was zelf ook bont en blauw geslagen.

We renden dwars door de rivier, die tussen ons dorp en het zendelingendorp in stroomt. Met elkaar kropen we over het hek. Ik zag de witte mensen in hun dorp kijken naar wat er gebeurde. Toen we allemaal door de rivier kwamen deinsden ze terug. De schrik en angst was ook op hun gezicht te lezen. Met elkaar klommen we over het hek. Hier zouden we veilig zijn. Zo snel we konden vroegen we hulp en werden we binnen gelaten in de huizen van de witte mensen. De deuren en ramen werden op slot gedaan en de gordijnen werden gesloten. Bibberend zaten we te wachten. We hoorden de sirene gaan: dat was het alarm, dat ieder gezin van de zendelingen binnen moest blijven en deuren en ramen moest sluiten.

Met klapperende tanden zat ik in het huis van een Amerikaans echtpaar. Ik was onderweg mijn oom en tante kwijtgeraakt. Er waren nog een paar andere tantes van mij in hetzelfde huis. Ze huilden zo erg, dat ik er misselijk van werd. Ze waren hun kinderen kwijtgeraakt onderweg. Ze wisten niet waar ze waren.
Een van mijn tantes wilde gaan zoeken. Ze liep naar de deur en wilde naar buiten gaan. Op het moment dat ze de deur opende, kwam de witte man er aan gerend. Snel deed hij de deur dicht. Maar in die ene seconde had ik gezien wat er buiten gebeurde: er waren mannen met pijl en boog om het huis aan het rennen. Ze waren dus zelfs in het centrum van het dorp van de witte mensen gekomen!! Hoe durfden ze.
Toen kwam er een man met een geweer naar ons huis! Ik zag de witte man opstaan en zonder na te denken deed de witte man de deur open. Vol zekerheid liep hij op de man met het geweer af en vertelde hem te vertrekken uit het dorp.
De man met het geweer deinsde terug. De witte man bleef rustig staan. Zijn hand opgeheven, zijn vinger wees naar de uitgang van het dorp. Nog een keer hoorde ik hem zeggen: “Ga!”
De man met het geweer rende toen weg. De witte man kwam binnen. Hij liep naar zijn vrouw, die gespannen in de kamer had staan wachten. “Dat was de kracht van de Heilige Geest”, zei hij. “Dat zou ik nooit uit mezelf hebben gedurfd.”

En toen werd het stil buiten. Heel stil.  Binnen zaten de mensen bij elkaar, en de witte man was aan het bidden. Stiekem gluurde ik door het gordijn. Ik zag niks. Alles was uitgestorven. Alleen de lucht was donkergrijs van de rook.
We kregen eten van de witte mensen. En die nacht mochten we er slapen. We mochten nog steeds niet naar buiten, en de hele avond werden de ramen en gordijnen dichtgehouden.

En toen was het de volgende morgen. Ik had niet goed geslapen. Ik zag steeds weer mijn oom in de opening van zijn huisje staan, en de man die maar dichterbij kwam. En schoot. En ik zag steeds weer de beelden van de brandende huizen, en van het bloed op het gezicht van het meisje met de stukgeslagen tanden.
Al heel vroeg vroeg mijn tante aan de witte man of ze alstublieft naar buiten mocht, om haar 3 kindertjes te gaan zoeken. Misschien waren ze ergens bij andere witte mensen, maar het kon ook zijn dat ze nog in de bush waren, of nog erger, dat ze waren geschoten. Het maakte de mannen echt niet uit op wie ze schoten. De witte man zei dat het goed was. Als ze maar goed bleef opletten, en goed om zich heen kijken of ze nog ergens mannen met geweren verstopt zag zitten. Een uur later werd er op de deur geklopt. Er stond een witte man die vertelde dat iedereen die gevlucht was uit mijn dorp naar het basketbalveld moest komen. Daar konden we ontbijt krijgen, en kregen we te horen wat er verder ging gebeuren.
Toen ik aankwam zag ik dat er wel honderd andere mensen uit mijn dorp waren. Ik zag gelukkig ook mijn oom en tante en neefje. Ik huilde van opluchting, toen ik bij hen ging staan.

Er kwamen mensen met hele grote pannen vol met donuts. Dat deelden ze uit. En dat was mijn ontbijt. Ook kregen we thee. En er waren mensen die allemaal kleren hadden verzameld. Ik werd geroepen bij de kinderen tot 10 jaar. Ik moest wat kleren passen en mocht 2 t-shirts en een shirt met lange mouwen en een korte broek meenemen. Even snapte ik niet waarom, maar toen bedacht ik, dat mijn huis misschien ook was afgebrand, en dat ik dus eigenlijk helemaal geen kleren meer had, alleen die ik aan had gehad toen het gebeurde! Plotseling wilde ik heel graag terug naar mijn dorp, kijken wat er van ons huis over was. Ik had nog steeds niet mijn papa en mama ontdekt, dus ik bleef maar dicht bij mijn oom. Hij drukte me even tegen zich aan. Zouden mijn papa en mama eigenlijk nog wel leven, vroeg ik me plotseling met een schok af? Mijn mama vast wel, die was hier in het dorp geweest. Maar mijn papa dan? Ik merkte dat ik huilde, en mijn oom vroeg wat er was. “Weet u ook of mijn papa nog leeft?”
Mijn oom keek voor zich uit en zei niets. Toen haalde hij met een zucht zijn schouders op. “Geen idee, mijn jongen. Ik heb hem nog niet gezien. God weet waar hij is.”

Nadat het ontbijt op was vroeg mijn oom of ik met hem mee ging naar het dorp. Ja, dat wilde ik. Ik wilde naar mijn huis. Kijken of mijn boek er nog was dat ik van opa had gekregen. Over sporen van wilde dieren. Opa had het een keer van een witte zendeling gekregen. Er stonden heel veel plaatjes in, en ik vond het altijd erg leuk om te kijken of ik de afbeeldingen van de afdrukken ook kon terug vinden in de modder. Ik nam mijn bundeltje nieuwe kleren onder mijn arm en gaf mijn oom een hand.
Zo liepen we richting ons dorp. Mijn tante en neefje waren nog op het basketbalveld.
Onderweg keek mijn oom voortdurend om zich heen. Ook de andere mannen, ik denk ongeveer 20, die ook teruggingen naar hun dorp, keken steeds of ze ook de mannen met geweren zagen. Maar ze waren weg.

Toen we halverwege waren zagen we een groepje mannen uit de bosjes komen. Ik herkende mijn neven en rende naar ze toe. In hun midden droegen ze mijn oudste neef. Ze hadden een soort brancard gemaakt van bladeren en takken, en mijn neef lag op de brancard. Hij had een grote wond op zijn bovenbeen. Zijn broek was stuk en vol bloed. Mijn andere neef vertelde dat ze de hele nacht zich hadden vestopt in de bush, en dat mijn neef niet kon lopen. Hij had koorts en lag te ijlen op de brancard. Ze wilden hem snel naar de kliniek brengen. Ik hoorde van hen dat er nog 3 andere jongens waren gewond geraakt, maar dat er niemand was doodgeschoten. Niemand doodgeschoten? Dat betekende ook dat mijn vader nog leefde!! Juichend rende ik vooruit, terwijl ik maar niet kon ophouden met zingen: “Mijn papa leeft nog, mijn papa leeft nog!” Ik zou hem vast wel vinden in het bos, of in ons dorp! Ik hoorde mijn oom roepen dat ik op hem wachten moest. Ik stond stil, en keek naar de rookpluimen die nog steeds boven de bomen omhoog kwamen. Ik zag er wel 7!
Mijn oom nam me bij de hand, en samen liepen we ons dorp in. Nou ja, dorp. Dit was mijn dorp niet meer. Alles, maar dan ook alles was kapot geslagen. En nergens was nog een heel huis te herkennen. Zelfs de kerk hadden ze in de fik gestoken. Overal waren smeulende puinhopen. Nergens was er meer een hond of varken te zien. Mijn oom liep met me mee naar mijn huis. Ook daar was niks meer van over. Het dak was naar beneden gevallen, en alles smeulde nog van het vuur. Ontzet keek ik naar wat eens mijn veilige huis was geweest. Ik schoof voorzichtig de smeulende resten van het dak weg en keek waar mijn slaapmat normaal lag. En waar mijn kleren normaal lagen. Er was niets meer van te zien. Alleen maar zwart roet. Op de plek van de keuken zag ik scherven van kapotgeslagen borden en bekers. En ook de tafel van helemaal weggebrand. Zou ik opa’s boek nog vinden? Ik keek verder tussen de resten. Wacht eens, daar voelde ik iets hards. Op de plek waar de tafel had gestaan. Ik schoof de resten van de as opzij, en vond inderdaad een boek. Maar het was niet het boek van mijn opa. Ik hield in mijn handen een boek, dat bijna niet was aangeraakt door het vuur. Het was nog helemaal gaaf! Dat is gek! Alles was verteerd door het vuur, maar van het boek was alleen de kaft een beetje zwart door de as die erop gedwarreld was. Ik rook eraan. Wat vreemd. Ik rook zelfs geen rooklucht. Toen bekeek ik het nog eens goed. Ik zag dat het de Bijbel van mijn vader was. Ik liep met de Bijbel terug naar mijn oom, die ondertussen naar de plek van zijn eigen huis was gelopen en aan het zoeken was naar overgebleven spullen. 
Ook hij had een Bijbel in zijn hand, nog helemaal gaaf, als enige overgebleven tussen alle verbrandde spullen.

………………………..  Gods hand was toch aanwezig geweest…………. …………………

En nu leef ik in een huisje in het dorp van de witte mensen. Nadat ik de Bijbel had gevonden heb ik hem meegenomen, en samen met mijn oom ben ik teruggelopen naar het dorp van de zendelingen. Mijn oom had zijn Bijbel ook meegenomen, en aan iedereen laten zien die hij tegenkwam. Hij was zo blij! God had hen niet in de steek gelaten, riep hij tegen iedereen. Sommige mensen waren blij, andere mensen waren boos op hem toen ze hem zo hoorden praten.
Weer terug op het basketveld hebben we eten gekregen van de zendelingen. Net toen ik wat rijst in mijn mond wilde stoppen, zag ik mijn vader aankomen. Ik schreeuwde het uit. Mijn bord met rijst viel op de grond, toen ik opsprong en naar hem toerende. Mijn vader was zo blij dat hij me zag, dat hij me opving en hoog in de lucht gooide. Hij vertelde dat mijn moeder al in het huisje was, waar we kunnen blijven slapen tot hij en mijn ooms onze huizen weer hebben opgebouwd. Ik ben verdrietig en bang, maar ook heel erg blij dat mijn papa en mama en zusje nog leven. Ik hoop dat deze mannen nooooit weer terugkomen! En ik denk dat ik ook  tegen iedereen ga zeggen, dat God ons nooit in de steek laat, hoe erg onze omstandigheden ook zijn.

zaterdag 24 april 2010

Tobi - een zaterdagmiddag


Contact leggen met Tobi….. relaties in Papua.
Ik wacht op mijn leerling Seron voor lees- en schrijflessen. Ja, de bel gaat, daar is ze.
Ze staat voor de deur……., met een klein kindje van 2 jaar oud. Even ben ik verward, maar dan besef ik dat ik op dit moment oog in oog sta met een gewoonte hier in Papua, een verschil
in cultuur. Als je geen oppas hebt, breng je je kind gewoon mee naar je werk, of naar school.
Ik herinner me verhalen van zendelingvrouwen hier, die er erg aan moesten wennen dat ze af en toe een klein kind over de vloer hadden kruipen, op het moment dat de schoonmaakster in
het huis aan het werk was.
Ik ben verrast en zie de humor er wel van in. Ergens uit een la diep ik een paar potloden op, en ik heb gelukkig nog ergens een blanco vel papier liggen, dus maar eens kijken of het
manneke er wat mee kan. Als we aan tafel zitten, en Seron en ik ons verdiepen in de ‘t’en de ‘u’, voel ik continu een paar donkerbruine ogen op me gericht.
Tobi, want dat is zijn naam, observeert me met grote aandacht. Op het moment dat ik mijn ogen opsla om even naar hem te lachen, slaat hij zijn bruine kijkers neer, om dan heel verlegen weer van onder zijn wenkbrauwen naar mij te kijken of ik nog steeds naar hem kijk.
Het vel papier en de potloodjes liggen onaangeroerd op tafel.
We gaan weer verder met de m. Opnieuw 2 grote ogen op me gericht. En opnieuw slaat hij ze neer, als ik opkijk en hem even een aai over zijn kroeshaarbolletje geef. Dit gaat een half uurtje op
deze manier door. Ik verbaas me nu al over het
stilzitten van het kereltje, maar ik ben erg vroeg met
mijn verbazing, merk ik later.
Na een half uur zwoegen op woorden als “paitin” en
“lukim”, is het tijd voor een kopje thee en koekjes. Ik
zet het op tafel en voor Tobi schenk ik een bekertje
water in. De koekjes liggen op een schoteltje.
Iedereen kan pakken zoveel en wanneer hij wil.
We pakken de draad weer op. Seron drinkt haar thee
en heeft na een half uurtje al wat koekjes op, maar
opnieuw heeft Tobi alleen maar naar mij zitten
kijken. Een heel uur om, zonder een vin te verroeren.
Ongelooflijk. De collectie onaangeraakte spullen op
tafel groeit: Het bekertje water, de potloodjes en het
vel papier.
Heel voorzichtig pak ik een koekje van het schoteltje en schuif dat naar hem toe. Tot vlak bij
zijn handje. Het handje verdwijnt onder de tafel. Aandacht doseren, Marjan. Nu liggen er een
koekje, een bekertje water, potloden en papier onaangeraakt voor zijn bruine neusje.
Gewoon maar verder gaan, misschien ontdooit het nog, voor Seron klaar is.
Van onder mijn wenkbrauwen hou ik hem in de gaten, en geniet van het kleine verlegen
manneke, dat misschien wel voor de eerste keer bij blanke mensen in huis is.
Ik merk dat hij zijn aandacht heeft verdeeld nu. Af en toe wordt er nu ook naar het koekje
gekeken, en dan weer naar mij.
Dan kijkt ook Seron op van haar werk, en ze ziet haar neefje verlegen aan tafel zitten, en naar
zijn koekje kijken, en naar mij. Ze schiet hardop in
de lach. Ze krijgt bijna de slappe lach van zijn
gedrag. En omdat zijn grote ‘zus’ zo moet lachen,
breekt er bij hem ook een klein lachje door. Seron
moedigt hem aan om het koekje te eten, maar gelijk
kijkt hij weer naar mij, en slaat hij zijn oogjes weer
neer. Ik denk even terug aan mijn kleine neefje van
2, en vraag me af wat hij zou doen als hij op bezoek
zou zijn bij zwarte mensen.
Opnieuw duiken we in ons boek, en gaan verder met
het schrijven. Dan zie ik vanuit mijn ooghoeken dat er heel voorzichtig een handje boven de
tafel komt. Langzaam kruipt het handje richting koekje. Ja, warempel, hij heeft het te pakken.
Hij legt zijn hoofdje met zijn kin op tafel, zodat zijn mondje alvast dicht bij het koekje is, en
hij niet te veel hoeft te bewegen. Zijn ogen zijn continu op mij gericht.
Heel behoedzaam stopt hij het koekje in zijn mond, om er een klein stukje af te bijten. Gelijk
daarna verstopt hij zijn hoofdje in zijn armpjes, die op de tafel liggen.
Ik kan hem wel opvreten, wat een schatje!!
Als hij weer opkijkt, kijk ik nog steeds naar hem, en ik lach naar hem. He, dat is mooi, hij
blijft me nu voor het eerst aankijken. We zijn een stapje verder!
Weer een half uur later is het koekje op. Nog steeds heeft hij verder niks aangeraakt, maar
heeft hij wel een beetje meer om zich heengekeken.
Ik sta op voor een tweede kop thee, en aai hem over zijn krullen als ik hem passeer. Ik zet het
bekertje water nog wat dichter bij hem, en moedig hem aan om wat te drinken.
Als ik de thee op tafel heb gezet en weer ben gaan zitten, zie ik dat hij het bekertje water pakt
en het in een keer leegdrinkt. Goed zo, manneke!
En dan is de les voorbij. We pakken de spullen bij elkaar en staan op. Ook Tobi klimt van de
stoel. Als Seron hem bij zijn handje pakt om naar buiten te gaan kijkt hij me aan. Dan
verschijnt er een lach om zijn mond. De brug van vertrouwen en vriendschap tussen hem en
mij is gebouwd. Wat een kostbaar bezit!

vrijdag 12 maart 2010

Tandarts

Vandaag was het tijd voor een grote beurt van mijn kies. Mijn eerste wortelkanaalbehandeling in Papua, en hopelijk ook mijn laatste. Hmmm, wat gaat het worden?! Wat istie allemaal van plan? De afspraak is van 9 tot 12. Was het alvast maar 1 uur.
Als ik in de stoel lig van de tandarts herinner ik me weer dat ik me vorige keer ook zo bij hem thuis heb gevoeld. En hoe bijzonder, als alles klaar ligt, ik met mijn mond open in de stoel lig te wachten, komt hij naast me zitten en doet de lamp uit. Nee, niet de lamp aan, want dat was ie al, maar uit! Ik gluur vanuit mijn ooghoeken, mijn hoofd onbeweeglijk in de apparaten, naar de tandarts. Hij heeft zijn ogen gesloten, en bidt…… Dan gaat de lamp weer aan, en begint hij zijn boorwerkzaamheden.... Wauw. 

Wat een ontzettend goede tandarts, niet alleen in techniek, maar ook vooral emotioneel. Hij heeft de ene grap na de andere, zodat ik  van het lachen amper mijn mond stil kan houden. Voorbeeld: don’t worry, pain will be over after a couple of months. Dik gegrinnik van zijn kant. Ik zeg dat in de hemel er geen tandartsen meer nodig zullen zijn, en dat hij dan werkloos zal zijn. Zijn antwoord: don’t worry, I am retired then, drink coffee and eat apple. Opnieuw gegrinnik vanachter zijn mondkapje.  Prachtig, wat een gast. Dat helblauwe mondkapje staat hem trouwens geweldig goed, contrasterend tegen zijn zwarte huid. Heel wat beter dan op ons bleek papperig roze huidje. Ik besef ineens met plezier dat ik 3 uur de tijd heb, om die huid vanaf 20 cm afstand eens grondig te bekijken, zonder dat ik onfatsoenlijk aan het staren ben. Ik heb gewoon geen andere keus, dan naar hem te kijken, want wat moet je anders, als je met je bakkes open, onderuit in de tandartsstoel ligt?

Als hij in mijn kanalen zit te pulken en ik mijn ogen dichtknijp omdat gevoel niet al te aangenaam is, klinkt zijn commentaar: don’t worry, I will not take your brains out.
Als het half 11 is klinkt er een bel. De tandarts staat op en is voor 5 minuten verdwenen. Tsja, het is gewoon pauze, hoezo?!
Ik ben blij als hij weer verschijnt en weer verder gaat met het schoonmaken van de kanalen.
Dan zie ik ineens een bebloed half tangetje mijn mond uitkomen. Doodgemoedereerd wordt me meegedeeld dat het een beetje bloed, en dat het tangetje is afgebroken, maar ook nu weer: don’t worry, de assistent doet er wel wat bleekwater in. Als ik teveel bleekwater proef, moet ik het maar even aangeven, dan spoelt de assistent mijn mond wel even.
??? Wat, bleekwater?? Nou, inderdaad, ik proef het op mijn tong. Hmm, das weer eens wat anders dan antibiotica. Ach nou ja, wat maakt het ook uit, zolang het helpt vind ik alles prima. Dekt de kosten van de behandeling waarschijnlijk ook nog! Bleekwater is niet zo heel erg duur…

De Tandarts
 Dan nog even vullen, en om kwart over 11 sta ik weer buiten. Mooi, het grootste gedeelte is hopelijk achter de rug. Nu nog nadenken over hoe ik het verder wil: implantaat, brug of kroon. Maar even thuis naar de kosten vragen. Had niet verwacht dat ik me hier mee bezig moest houden in Papua… Wel een origineel souveniertje trouwens, een papuabrug in mijn mond. Zolang het geen bamboebrug is. Scheelt trouwens ook weer souvenirruimte in de koffer!